artikel

De BRL 6000-21/00-normdocument

Sector

De certificeringseisen die gelden voor het ontwerpen, installeren en beheren van bodemenergiesystemen zijn per begin 2018 aangepast. Dit is het gevolg van wijzigingen in het normdocument BRL 6000-21/00, dat ten opzichte van de huidige versie een aantal praktische voordelen schetst voor de (warmtepomp)installateur.

De BRL 6000-21/00-normdocument

Tekst: Martijn Louws

De AMvB bodemenergie (officieel Wijzigingsbesluit bodemenergiesystemen) is op 1 juli 2013 in werking getreden. Daarbij is ook een verplichte certificering van kracht geworden, de BRL 6000-21. Deze certificering geldt voor alle bedrijven die bodemenergiesystemen ontwerpen, installeren en/of beheren en onderhouden.

Bodem+
Dit betekent in de praktijk dat elk bedrijf dat deze activiteiten wil blijven uitvoeren vanaf 1 oktober 2014 dient te beschikken over een erkenning van de overheidsinstantie Bodem+. Voor het verkrijgen van die erkenning heeft het bedrijf één of meerdere certificaten nodig, afhankelijk van het soort werkzaamheden die worden uitgevoerd. Deze verplichte certificering geldt niet alleen voor het adviesbureau dat het systeem ontwerpt of het boorbedrijf dat het ondergrondse deel realiseert. Ook het installatiebedrijf dat voor de uitvoering verantwoordelijk is, moet vanaf 1 oktober 2014 hiervoor zijn gecertificeerd.

“Het normdocument is dynamisch, en is nu na drie jaar deels herschreven, zodat het beter aansluit op de praktijk”, zegt adviseur Rik Molenaar van raadgevend ingenieursbureau Techniplan Adviseurs.

Certificatieregelingen
Zo zijn in het nieuwe normdocument de certificatieregelingen voor installaties ondergebracht in één beoordelingsrichtlijn, BRL 6000-21/00, zegt hij. “In het nieuwe normdocument zijn de delen BRL 6000-21 en BRL 6000-00 geïntegreerd, en dat is een stuk praktischer. BRL 6000-21/00 heeft dus betrekking op het ontwerpen en installeren van energiecentrales van bodemenergiesystemen én het beheren van bodemenergiesystemen.” De beoordelingsrichtlijn bestaat uit een ‘algemeen deel’ en een aantal ‘bijzondere delen’ voor diverse deelgebieden op het gehele terrein van ontwerpen, installeren en beheren van installaties. Een deelgebied wordt gekenmerkt door de soort installatie, bijvoorbeeld een lage temperatuurverwarmingsinstallatie, gas- of waterinstallatie of een elektrotechnische installatie, en de soort activiteit, zoals het ontwerpen of installeren.

Molenaar: “Het algemene deel bevat de eisen die in principe altijd voor het ontwerpen, installeren en beheren van een installatie gelden, ongeacht de soort installatie.” Daarbij is demarcatie duidelijker omschreven, vertelt Molenaar. “Er is in de tekst duidelijker onderscheid gemaakt tussen de energiecentrale en de energiecentrale BES.” Molenaar ondersteunt het met een voorbeeld. “Als er een aanvullende cv-ketel in de energiecentrale opgenomen wordt, moet daar in het ontwerp rekening mee worden gehouden. Bij het Installeren en Beheren valt de cv-ketel grotendeels buiten de scope van de BRL 6000:21/00.”

Aansluiting op BRL SIKB 11000
Verder is er aansluiting gezocht bij de algemene kwaliteitseisen voor het ondergrondse deel dat voor bodemenergiesystemen van toepassing is, die gevat zijn in de BRL SIKB 11000. “Dit heeft onder meer betrekking op het uitwisselen van gegevens bij het ontwerpen van bodemenergiesystemen. Voor de BRL 6000:21/00 is besloten om voor de ontwerptabellen uit de vorige BRL-versie te verwijzen naar diverse ISSO-publicaties.”

Voor de installateur die vooral kleine individuele warmtepompsystemen voor woningen installeert, onderhoudt en beheert, kent het nieuwe normdocument, dat in april wettelijk moet zijn ingevoerd, echter nog meer praktische voordelen. Molenaar: “De eisen voor het installeren en beheren zijn versimpeld. Waar de individuele woninginstallateur in de huidige situatie aan dezelfde eisen moest voldoen als de grote utiliteitsbouwinstallateur waar het gaat om het installeren en beheren van de bodemenergiesystemen, is er nu onderscheid gemaakt. Zo zijn er geen eisen aan de automatiseringsinstallatie meer gesteld, is energiemonitoring niet meer verplicht en is het aantal verplichte beheeractiviteiten gehalveerd.”

Uitbesteden werkzaamheden
Ook de randvoorwaarden voor het uitbesteden van werkzaamheden aan, of het inhuren van een onderaannemer zijn verduidelijkt, stelt Molenaar. “Er wordt bijvoorbeeld in het nieuwe document duidelijker onderscheid gemaakt tussen de beheer- en onderhoudswerkzaamheden. Wat moet ik zelf doen en wat mag ik uitbesteden aan een derde partij die niet per definitie gecertificeerd hoeft te zijn? Het wordt allemaal benoemd. Wel geldt dat de gecertificeerde installateur altijd eindverantwoordelijk is.”

Ondergrens audits
Versoepeling is er ook op het gebied van het aantal projecten dat minimaal moet worden beoordeeld om vast te stellen of wordt voldaan aan de certificeringseisen. “De ondergrens is in het huidige normdocument gesteld op twee projecten per jaar, in de nieuwe BRL 6000-21/00 is dat verlaagd naar één project per jaar”, aldus Molenaar.

Onderdeel van de audit is bijvoorbeeld het kwaliteitshandboek, waarin moet zijn aangegeven over welke vakbekwaamheid elke medewerker die betrokken is bij het onderwerp van certificatie, moet beschikken in relatie tot zijn taken, verantwoordelijkheden en bevoegdheden. De certificaathouder moet beschikken over een dossier waarin de vakbekwaamheid van de medewerkers is beschreven. Hierbij moet het bedrijf ervoor zorgen dat de medewerkers door middel van het volgen van opleidingen, training of andere maatregelen aan de eisen van vakbekwaamheid voldoen, vertelt Molenaar, die aangeeft dat dit in de praktijk gemakkelijk kan worden aangetoond ingeval men beschikt over het betreffende diploma.

“En in de BRL staat aangegeven welke diploma’s vereist zijn. In de huidige BRL 6000:21 was er nog onderscheid gemaakt in diploma’s die geldig waren voor de scope klein en diploma’s die geldig waren voor de scope groot. In de nieuwe BRL zijn de diploma’s voor de scope groot nu ook van toepassing op de scope klein. Hiermee wordt voorkomen dat een installateur die in beide scopes werkzaam is meerdere diploma’s moet hebben voor dezelfde type werkzaamheden.” Hoewel het huidige stuk nog aansluit op de praktijk, is ook het nieuwe normdocument dynamisch, weet Molenaar. “Verbetering blijft noodzakelijk, immers de praktijk staat ook niet stil. Ik ga er daarom vanuit dat dit stuk over drie jaar weer zal moeten worden geactualiseerd.”

Reageer op dit artikel